donderdag 7 januari 2010

ik ben in je verdwaald, jammer genoeg ben je wegloos.


Mijn voeten schuurden langs asfalt, De straat schreeuwde me aan. Mensen verdwenen in schaduwen, werden vervoerd aan de bizar zwaarteloze sneeuw, verdwenen in zijn wegloze afgronden, en ik zocht naar je hand in de duisternis maar je was voort.

Eerst wou ik schreeuwen. iemand aanschreeuwen, ook als het maar de hemel was, die doorkrasd werd door inktzwarte vogelbomen, ik voelde hun blik in mijn rug, je bleek onmogelijk te zijn.
Maar toen zwol angst in me op, en ik hield mijn mond en mijn hakken sprongen in grote passen over de grond, rennen voelde beter.
Silhouetten onder straatlantarens, gevluchte lichten, stilte verpakt in grijze muren.
En ik dacht er even aan dat mensen sliepen, de hele stad droomde.
En dat ik niet bang hoefde te zijn.
Dat morgen het licht de nacht weer verdronk en dat ik weer stemmen zacht vloeiend zou horen, Mijn nachtmerrie verzadigde even in het stilstaan van mijn schaduw.
Maar, toen tikten voetstappen steeds sneller wordend over straat, een rechte lijn getrokken van klanken die botsten, in mijn hoofd samensloegen en ik brak ,sprong, vloog weer verder.
Je verdween bij de volgende hoek.
Ik hoorde je roepen, maar ik wou alleen nogmaar weg.
Weg van jou waarin ik verdwaald was, jammer genoeg was je wegloos.
Maar tegelijkertijd
waren we verbonden
of, ik veelmeer, vastgebonden.
aan jou.
En ik kwam altijd terug, ik wist het.
Maar voor dit moment, wou ik alleen maar vergeten,
rennen, vliegen, vluchten.
Voor jou.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen