zondag 27 juni 2010

Zo een geweldige nacht, vol met euphorie en liefde. Liefde voor het leven, de mensen om me heen, muziek, het moment.Intens. En toen ik buiten kwam was de nacht weg, opgezogen door de krachtvolle horizon, meegenomen door de zachtroze wolken aan de hemel, zelfs de mensen die alweer naar hun werk fietsten maakten op me een compleet andere indruk dan ze overdag deden. maar het was alweer overdag. En ik liep hier, met een heel ander gevoel in me dan al die mensen om me heen. Mijn ogen keken anders naar de wereld, mijn voeten hadden niet 5,6,7,8,9 uur stil in een warm bed gelegen, nee ze deden een beetje pijn en verlangden ernaar. En toen we bij het appartement aankwamen voelde ik de warmte van de dag alweer vibreren in de hemel. we kwamen iemand tegen, die wenste ons een goedemorgen. Ik viel in bed en zomee in slaap, gevolgd door dubstepbassen en een zacht wobwobwob.

woensdag 23 juni 2010

De nacht die ik tekende met gesloten ogen
Ik voelde je adem zacht golven slaan op mijn huid
Vreemde tinten doorsneden het zonlicht
Verscheurden mijn zielszicht
In duizenden scherven oneindigheid.

Mijn voeten doorwaden zeeen
Als lucht de ochtend meeneemt
Mijn handen vormen dieptes
Waarin je duikt
Mijn vervlogen heden schreeuwt uit holle keel
Tweezaam in de scherven van de ochtendzon.


dinsdag 8 juni 2010

Fermez les jeux.



Wat ik ben, vertaald door jou
Wij zijn meer dan geilusineerden
Er is meer dan liefde,
geband in jouw blik
ik voelde je hiervoor
We willen niet spreken, voordat de zon opgaat
We zullen dansen als het licht
Over stenen vlijd, ons kust
Samen versmeltend in een kern
Gebonden door gesprekken
Lichtelijk tintelend aan de oppervlakte
Woorden vloeiend zichtbaar in jouw golven,
uiteindelijk weerspiegelend,
aangespoeld in jouw handen
We kunnen vormen
Mijn lach breekt in hun,mijn vertrouwen verliesd veren
Voelend tot we beginnen
Met tranen die onze randen laten overstromen
Maar we zijn in geluk gehuld
En jij bent de kust
Ik wil varen
In jouw oceanen

vrijdag 4 juni 2010



Het was vroeg in het zijn toen de grote kraaivogel het zachte dode licht van opkomende zon op zijn schaduwsilhouette opving,
Zijn ogen waren schaduwstromen en elke traan vormde een nieuw touw naar de aarde; Zijn vrijheid begrenst in medelijden, zijn zielswens verscheurd door golvende ademhaling.

Wat hij voelde viel niet te beschrijven, wat hij dacht evenmin.
Hij had alle wereldkennis in zich opgesloten, elk splintertje in zijn glaslichaam voelde voldaan en in evenwicht, en toch miste hij iets, toen hij door de stralende wolkenmeren opsteeg begeleid door het kraken en rinkelen van zijn eigen lichaam;
Mischien was het de nacht
de duistere inktmeren, de stilte in zijn ogen
Mischien de warmte,
smeltende beken in zijn schouderbladen, vloeiende pijn
Mischien zijn eigen grenzen en zomee dat wat in zijn grenzen opgesloten zat.