dinsdag 21 september 2010


Je binnenste kring was als zijde in wind,
ik vluchte in je kralenoog
sloeg vleugels in je,
wiegte in wind en duisternis
beschermt door eigen zielslicht
tot mijn ogen stormangst schreven.

Het morgenlicht verzadigde illusies in rook,
Onze tenen voelden we niet meer.
Fier zweeg je in grote halen
weerspiegelend de adem in je ogen
Dronk onze laatste rest tweezaamheid
Roesvol doorboorde je het hemelsdoek.

En ik bouwde een nest
Reizende was jij,
Maar je fluisterde mijn naam
Opgeslagen in de Ochtendveren van je bestaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten